De kansen van het stations­gebied pakken we samen

Arthur Jager

Arthur Jager

Uitgever van special interest magazines op vastgoedgebied | Crossmediale verbinder op internet

Belangrijke data

Het artikel delen

Share on facebook
Facebook
Share on google
Google+
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Online Magazines

De kansen van het stations­gebied pakken we samen

Werken aan het spoor is een gezelschapsspel geworden.” Spoorpartners ProRail en NS zitten aan tafel. Maar ook gemeenten, provincies en tal van andere partijen spelen het spel volwaardig mee. Spoorbouwmeester Eric Luiten en adviseur Architectuur en Stedenbouw Miguel Loos vertellen over de kansen en hun rol in de ontwikkeling van het stationsgebied. “Het is een prachtig spel. En als we het goed doen, kent het louter winnaars.

Sinds 1 januari is Eric Luiten Spoorbouwmeester. Hij is de eerste landschapsarchitect die de functie bekleedt, al zijn voorgangers waren bouwende architecten. Toch zit hij perfect op zijn plek. “Knooppuntontwikkeling en gebiedsontwikkeling bepalen steeds meer de agenda van het spoor. In de grote steden maar ook daarbuiten. Het station en de dynamiek in de directe omgeving is de aanleiding om verder te kijken; ver voorbij het object. We zien dat ook terug in ons advieswerk. Steeds vaker gaat het om de relatie tussen het spoor, het station en de omgeving.

Luiten staat aan het hoofd van Bureau Spoorbouwmeester (BSbm). Met een hecht en ervaren team adviseert BSbm over allerhande ‘spoorse’ ontwerp- en vormgevingsopgaven. Dat gaat van het stationsinterieur tot het station en van de relatie tussen het station en de stationsomgeving tot het spoor in het landschap. “We maken ons sterk voor samenhang, inspireren tot samenwerking en laten zien hoe we samen tot meerwaarde kunnen komen. Dat doen we vanuit het Spoorbeeld: het ontwerp- en vormgevingsbeleid van de spoorsector. Ruimtelijke kwaliteit is onze drijfveer. Het Spoorbeeld is ons kompas.

Het succes van samenhang en samenwerking illustreert zich op een mooie manier op en rond de grote nieuwe stations van Nederland: Utrecht, Den Haag, Arnhem, Rotterdam en Breda – ook wel de Nieuwe Sleutelprojecten (NSP) genoemd. Het zijn stations waar we met recht trots op kunnen zijn: van ProRail en NS tot de betrokken gemeenten. “Die trots is mede het gevolg van het feit dat de aandacht voor ruimtelijke kwaliteit vanaf het begin groot is geweest”, stelt Luiten. “Nu is het de uitdaging om die kwaliteit ook elders op het netwerk te realiseren.

In de grote steden zien we een enorme spin-off van publieke investeringen in het spoor en de spooromgeving. We zien het bij de NSP maar ook in Delft, Leiden, Zwolle, Tilburg en straks ook in steden als Maastricht, Nijmegen en Groningen. “Men ruikt, ziet en grijpt de kansen. Die enorme investeringsbereidheid zorgt voor een geweldige impuls. Steden groeien over het station heen: de ontdekking van spreekwoordelijke andere kant waar steeds meer stations ook een volwaardig entree krijgen. En dat juist op de plek die voorheen het karakter van een achterkant had. Verder zien we het terug in de bouwhoogte. Alle grote steden zetten rond het station in op verdichting. In het stadssilhouet worden de stationslocaties daardoor ook op afstand steeds beter zichtbaar,” stelt Loos, die als Adviseur Architectuur en Stedenbouw werkzaam is bij BSbm.

Natuurlijk is de stationsomgeving al jaren in beeld bij de ontwikkeling van stations. Het aandachtsgebied wordt alleen groter; ver voorbij het aloude stationsplein. Er ontstaan nieuwe brandpunten van stedelijkheid. Talloze functies komen samen: wonen, werkgelegenheid, onderwijs, zorg. Boeiend is dat de stad zelf ook reageert. Stads- en stationsontwikkeling groeien naar elkaar toe. Loos: “Neem Amsterdam. Daar zitten vrijwel alle gebiedsontwikkelingen in de invloedsfeer van stations: van Sloterdijk, Lelylaan, Amstel en Duivendrecht tot de ontwikkeling van Zuid waar het station hét logistieke adres van de Zuidas wordt.

Volgens Luiten plukken we de vruchten van het ABC-locatiebeleid dat eind jaren tachtig vanuit het toenmalige ministerie van VROM werd ingezet en met de NSP een stevige duw in de rug kreeg. “Er ontstaan op veel plekken in Nederland kansrijke stedelijke knooppunten. Dat rendeert financieel en maatschappelijk. Bovendien leidt het tot boeiende stukken stad met een eigen kwaliteit en karakter. Generieke oplossingen zien we eigenlijk nergens. Iedere stad kiest voor specifieke oplossingen waarmee ze zich kunnen presenteren en profileren.

Hoe kansrijk ook, vanzelf gaat het niet. Goed functionerende stationsgebieden staan of vallen bij samenhang. Daarbij is het vaak een enorme puzzel om die mobiliteitsknoop goed te organiseren. “We hebben te maken met steeds meer overstappende treinreizigers, met als gevolg meer fietsen, taxi’s, bussen, trams en metro’s rond de stations”, vertelt Luiten. “Dat afwikkelen lukt meestal niet meer op een oud stationspleintje. Ook lossen we het vaak niet meer op in twee dimensies,” vult Loos aan. “Uit ruimtegebrek gaan we veel inventiever te werk. Kijk naar Amsterdam Centraal waar de bussen op +1 zijn gebracht en de auto’s aan de Noordzijde een tunnel induiken. Hierdoor kunnen we optimaal ruimte geven aan de voetganger. Die heeft eigenlijk overal het primaat. Niet gek, want op en rond het station wordt iedereen uiteindelijk voetganger.

Maar is die groeiende aandacht voor de stationsomgeving puur een thema voor de grote stad? Wat gebeurt er elders op het netwerk? “Eigenlijk zien we daar vergelijkbare ontwikkelingen”, vertelt Luiten. Ook in kleinere steden en kleinere plaatsen – en zelfs rond haltes op het platteland – zien we dat ‘het omgevingsdomein’ in beweging is. De thema’s zijn vergelijkbaar. Bovendien doet de complexiteit vaak niet onder voor de ‘grote projecten’. Wel is de dynamiek anders en zitten er andere spelers aan tafel. Maar ook hier gebeuren buitengewoon interessante dingen.” Luiten en Loos noemen diverse voorbeelden. Helmond bijvoorbeeld, of Driebergen-Zeist, Harderwijk en Gorinchem. “Hier worden barrières geslecht en wordt volop geïnvesteerd in kwaliteit: de publieke kwaliteit van de alles verbindende openbare ruimte. En laten we ook de nieuwe invullingen van oude stationsgebouwen niet vergeten. Vaak gaat het om voorzieningen die niet alleen het station maar ook de omgeving ten goede komen,” vertelt Luiten.

Dat het werken aan het spoor in de woorden van Luiten een gezelschapsspel is geworden, blijkt ook wel uit het groeiende aantal projecten waar juist gemeenten, provincies of stadsregio’s in the lead zijn. Ze zien zelf de kansen en nemen zelf het initiatief om met ProRail en NS om tafel te gaan. Het bemoedigende is dat veel van deze partijen Bureau Spoorbouwmeester én het Spoorbeeld steeds beter weten te vinden. “Ook daar zetten we graag onze kennis en kunde in. Zo leveren we toegevoegde waarde in de afstemming tussen de spoorse wereld en de omgevingspartijen. Dat doen we vooral door de meerwaarde van ruimtelijke kwaliteit en samenhang te agenderen,” stelt Loos. “Voor ons is het spoor dagelijkse praktijk. Veel gemeenten doen het maar één keer. Graag helpen we om het met alle betrokken partijen in een keer goed te doen.

Eric Luiten
Eric Luiten
Miguel Loos
Miguel Loos